In de zestig jaren van zijn bestaan heeft JMW hoogtepunten bereikt, maar ook stormen doorstaan. Wellicht de meest pijnlijke zaak in de geschiedenis van JMW betreft de problematiek van de Joodse oorlogswezen. Na zich zoveel jaren te hebben ingezet voor de hulpverlening aan deze groep, is de organisatie, als opvolger van de Joodse voogdij-instellingen, in conflict geraakt met diezelfde groep.
Dilemma
JMW kent als geen andere organisatie het lot van de Joodse oorlogswezen. Dagelijks komen de levenslange gevolgen en de pijn aan de orde in de gesprekken die medewerkers van JMW met oorlogswezen voeren. De publicatie van Elma Verhey, “Kind van de rekening”, versterkte deze gevoelens. De strekking van het boek was dat Joodse voogdijorganisaties de financiële belangen van de oorlogswezen niet goed hadden behartigd en zelfs in hun voordeel zouden hebben gebruikt. Hoewel JMW in
"Een goede naam"aantoonde dat Verhey onzorgvuldig en bevooroordeeld te werk was gegaan, werd JMW gebombardeerd met petities met de oproep om gelden van de Joodse voogdij-instellingen ten goede te laten komen aan Joodse oorlogswezen. Dit stelde het Samenwerkingsverband-JMW als rechtsopvolger van een aantal Joodse voogdij-instellingen voor een dilemma:
Moest er gehoor worden gegeven aan de oproep tot schadeloosstelling? Enerzijds kon niet bij voorbaat uitgesloten worden dat er bij het beheer fouten waren gemaakt. Anderzijds was structureel misbruik van de gelden nooit onderzocht en zou een algemene schadeloosstelling betekenen, dat het handelen van bestuurders en medewerkers van de Joodse voogdij-instellingen zonder vorm van bewijs werd veroordeeld. Als derde factor was er de maatschappelijke verantwoordelijkheid om zorgvuldig met de vermogens van de voogdij-instellingen om te gaan. Was het aanvaardbaar om op basis van een slecht onderzoek en niet-onderzochte uitspraken van Joodse oorlogswezen deze gelden zonder meer onder leden van deze groep te verdelen?
Waarheidsvinding
Het antwoord op deze vraag is duidelijk. Het kon niet zo zijn dat zonder bewijs bestuursleden en medewerkers van Joodse voogdij-instellingen werden veroordeeld en gelden werden uitgekeerd. Beschuldigingen van de wezen konden echter ook niet zonder meer worden weggewuifd. De enige weg die open stond was die van waarheidsvinding. Hoe zat het nu allemaal echt in elkaar?
In overleg met het Verbond Belangenbehartiging Vervolgingsslachtoffers (VBV) en de Stichting (Israël) Nederlands Joodse Oorlogswezen in Israël (SINJOI) werd besloten tot een onafhankelijk onderzoek naar het beheer van de gelden van Joodse oorlogswezen door de Gefusioneerde Joodse Instellingen voor Kinderbescherming (‘de Fusie’). Gezamenlijk werden de onderzoeksvragen en de onderzoeksopzet uitgewerkt en werd een Begeleidingscommissie ingesteld, bestaande uit: drs. A.J. van Gils (oud-directeur van de Pensioen-en Uitkeringsraad), drs. C.J. Ruppert (projectdirecteur bij het Ministerie van Financiën en in de periode 1997-2001 projectleider Tegoeden Wereldoorlog II) en drs. E. van Thijn (oud-burgemeester van Amsterdam en destijds lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal), personen wier integriteit, onafhankelijkheid en deskundigheid buiten geding is. Twee deskundige onderzoekers werden aangesteld om zowel het historische als het financiële onderzoek uit te voeren.
Tegelijk besloot JMW om de betrokken Joodse oorlogswezen via de PIJO de mogelijkheid te bieden tot individueel onderzoek. Hoewel financiële dossiers niet meer beschikbaar zijn, is er uit de zogenaamde sociale dossiers en andere bronnen veel informatie te putten voor een reconstructie. Besloten werd om, indien er duidelijke aanwijzingen/bewijzen waren dat er zaken onjuist waren behandeld, een mogelijkheid te creëren om een claim in te dienen. In overleg met VBV en SINJOI werd een onafhankelijke Bezwaarcommissie ingesteld. JMW zegde toe de uitspraak van de Bezwaarcommissie als bindend te beschouwen.
Resultaten
Inmiddels hebben de onderzoekers hun eindrapport ‘Rekenschap’ afgeleverd. De Begeleidingscommissie stelt dat het onderzoek met de grootste zorgvuldigheid is uitgevoerd en dat de conclusies zorgvuldig afgewogen zijn. Er zijn vragen die wegens gebrek aan informatie niet afdoende beantwoord kunnen worden, maar de algemene conclusie is “dat het beheer naar behoren is geweest en zich positief onderscheidt van het destijds geldende overheidsbeleid. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er misbruik is gemaakt van vermogens van Joodse minderjarige oorlogswezen.”
Ook het individueel onderzoek van de PIJO is afgerond. Van de 148 informatievragers stonden 50 personen daadwerkelijk onder voogdij van ‘de Fusie’. Van deze 50 hebben 17 personen om een rapportage verzocht en hebben 2 persoon een claim ingediend, waarvan tot nu toe 1 claim door de Bezwaarcommissie is toegewezen. Het
Eindrapport van de Projectgroep informatie Joodse Oorlogswezen (PIJO) is inmiddels uitgebracht.
Gevoelens van onrechtvaardigheid
JMW heeft geprobeerd zo zorgvuldig mogelijk te werk te gaan. Toch moet geconstateerd worden dat de onrust die bij een deel van de wezen bestaat niet is weggenomen. Dat is op zich niet verwonderlijk. Als gevolg van hun ervaringen tijdens en na de Sjoa bestaat er bij Joodse oorlogswezen een diep beleefd gevoel dat hen alles is afgenomen. Voor een belangrijk deel is dat niet alleen een gevoel, maar ook feitelijk waar. Wezen hebben hun ouders en hun jeugd verloren en de Nederlandse samenleving heeft hen in de steek gelaten. Zij zijn daardoor voor het leven getekend.
Er kan echter niet gesteld worden, dat de Joodse voogdij-instellingen onzorgvuldig hebben gehandeld met de gelden van de wezen. De beschuldigingen die Elma Verhey heeft geuit zijn stuk voor stuk ontkracht. Geconstateerd moet echter worden dat ook objectief, onafhankelijk onderzoek diepgewortelde gevoelens vaak niet wegneemt.
Het zijn niet alleen de betrokkenen die met hun gevoelens van onrechtvaardigheid blijven zitten. Ook voor de omgeving, de Joodse gemeenschap, is het moeilijk hiermee om te gaan. Enerzijds zijn er de objectieve feiten, anderzijds is er de solidariteit met een groep die zoveel heeft meegemaakt en wier leven zo gevormd is door de Sjoa.
In het geval van het NIW leidt dit tot ongenuanceerde berichtgeving en het nalaten van het beginsel van hoor- en wederhoor. De persoonlijke waarheid van de betrokkenen wordt kritiekloos overgenomen. Wetenschappelijk onderzoek wordt afgedaan. Het NIW neemt de positie in van activist en verzaakt daarmee zijn journalistieke taak. Het doet daarmee geen recht aan de wezen zelf en ook niet aan bestuursleden en medewerkers die zich in de naoorlogse jaren hebben ingezet; mensen die mogelijk ook fouten kunnen hebben gemaakt, maar wier integriteit en goede naam niet zonder enige vorm van bewijs mag worden aangetast.
Conclusie
JMW staat voor een onoplosbaar dilemma. Wat er ook gebeurt, welke bewijzen er ook zijn, het gevoel bestolen te zijn zal bij een aantal betrokkenen niet weg te nemen zijn. Aan de andere kant is het ongefundeerd toegeven aan dergelijke gevoelens niet aanvaardbaar.
Hulpverlening kenmerkt zich door nabijheid en afstand, inlevingsvermogen en onafhankelijke analyse. Een hulpverlener mag het niet zover laten komen dat zijn inlevingsvermogen en betrokkenheid bij de cliënt hem de realiteit uit het oog laat verliezen. Met eenzijdig solidair zijn verliest hij de mogelijkheden om daadwerkelijk te helpen en recht te doen aan de situatie. Voor JMW is er geen andere weg dan het combineren van betrokkenheid en inlevingsvermogen met onafhankelijke analyse en waarheidsvinding.